Actua

dinsdag 21 februari 2012
 - 

Energieleveranciers houden kostprijs groene stroom kunstmatig hoog

Alle stroomleveranciers moeten een bepaald percentage groene stroom verkopen. Om dat te bewijzen moeten ze bij de stroomproducenten groene stroomcertificaten (GSC) opkopen en inleveren bij de VREG. 

In 2011 is de certificatenmarkt, net als de prijs van de certificaten, ingestort. Het aantal geproduceerde certificaten is sterk gestegen, terwijl de vraag bij de energieleveranciers naar groene stroomcertificaten veel minder sterk toenam. Dat zou de energieprijs in feite moeten doen dalen, maar de energieleveranciers rekenen hun gedaalde aankoopkosten niet door aan de consument.

Het overschot is intussen opgelopen tot 1,7 miljoen certificaten. Dat overschot zit deels bij de producenten, die zo in de problemen komen en niet meer rendabel dreigen te zijn, en deels bij de netbeheerders, Eandis en Infrax. De distributienetbeheerders worden immers verplicht om de certificaten die leveranciers zelf niet kunnen of willen verwerven, op te kopen tegen een minimumprijs[1].

Door het overaanbod aan GSC ligt de marktprijs nu veelal onder de minimumsteun die de distributienetbeheerders moeten betalen voor een GSC. De contracten die leveranciers aangingen met producenten om de vereiste hoeveelheid groene stroom te kunnen aanbieden, en die hen verplichten de GSC tegen een vaste prijs aan te kopen, beantwoorden hierdoor niet meer aan de marktrealiteit. Het systeem is ontwricht.

Om dat verlies te compenseren vonden leveranciers zoals Nuon een achterpoort. Zij verplichten de producenten om hun certificaten tegen minimumprijs aan bijvoorbeeld Eandis te verkopen. Nuon betaalt dan het verschil tussen de oorspronkelijke contractprijs en de minimumprijs plus één euro per certificaat aan de betrokken producent. De producent krijgt daardoor 1€ per GSC meer betaald dan voorheen. Maar vooral: Nuon kan zo tegen de goedkopere marktprijs certificaten bij Eandis opkopen. Eandis verliest het verschil tussen de minimumprijs bij aankoop en de marktprijs bij verkoop en blijft daarbovenop met het certificatenoverschot zitten.

Tegelijk kan Nuon dan de boeteprijs, de maximumprijs die voor een certificaat wordt betaald, doorrekenen aan de consument.

Robrecht Bothuyne: “De consument betaalt zo twee keer te veel. Eén keer via de energiefactuur van Nuon en nog een keer via de distributienettarieven. Eandis moet immers zijn kosten, zijn verlies, doorrekenen aan de klant.”

Elektriciteitsleveranciers zoals Nuon storten zo niet alleen de groene stroomcertificatenmarkt in chaos, de energiebedrijven jagen de energieconsumenten, hun eigen klanten dus, nodeloos op kosten!

Robrecht Bothuynevraagt aan minister Van den Bossche om deze problematiek samen met de VREG te onderzoeken en het misbruik kordaat aan te pakken. De energiefactuur voor gezinnen en bedrijven loopt nu al hoop op. Misbruiken kunnen we niet dulden.

Ondertussen wil Bothuyne het groene stroomcertificatensysteem dringend fundamenteel hervormen. Bothuyne: “Voor CD&V zijn hierbij 3 elementen essentieel. De oversubsidiëring, zoals van zonnepanelen, moet eruit. Ten tweede moet er terug rechtszekerheid komen voor investeerders in groene stroomproductie. Ten derde moet Vlaanderen op een kostenefficiënte manier zoveel mogelijk groene stroom produceren.”




[1] De  minimumprijs heeft tot doel de meerkost van groene stroomproductie te compenseren en verschilt naargelang de technologie die wordt gebruikt. Wanneer de marktprijs onder de minimumprijs daalt, kan de groene stroomproducent bij de distributienetbeheerder terecht. Die garandeert de minimumsteun om de groene stroomproductie rendabel te houden.